Laatst bijgewerkt op 18 september 2026
Plaatsen met ommuurde kerk
Ommuurde kerken (enclos paroissiaux) zijn een typisch Bretons verschijnsel. Misschien is het beter om te spreken van ‘ommuurde kerkterreinen of ‘kerkerven’, maar dat is wat omslachtig of verwarrend. In het Engels is het trouwens ‘parish close’.
Er zijn nog zo’n 70 ommuurde kerken intact en verreweg de meeste daarvan vind je in het noordwesten (zie het kaartje). Het hoogtepunt van de bouw lag tussen midden 16e en eind 17e eeuw. Dit was een periode van vrede die werd ingeluid door het Concilie van Trente (1545-1563) en die deels samenvalt van de tijd van Franse Renaissance.
In 2024 zijn 31 enclos paroissiaux op de voorlopige werelderfgoedlijst van Unesco geplaatst.
Een veld vlas in bloei tussen Brest en Locmaria-Plouzané (Finistère, Bretagne) door Roquex
De ommuurde kerken getuigen van de rijkdom in deze streken in die tijd. Die rijkdom was te danken aan de teelt van vlas en de handel in linnen, wat uit vlas gemaakt wordt. De linnen stoffen, de “crées“ werden verkocht op de Engelse, Spaanse, Nederlandse en Portugese markten. De omgeving van bijvoorbeeld Saint-Thégonnec werd toen het thuisland van een echte boerenkaste, de “Juloten”. Deze boerenhandelaren bouwden hun fortuin op met deze handel én met het fokken van het Bretonse paard.

Niet alleen de materiële welvaart van die tijd bepaalde de enorme populariteit van deze ommuurde kerken. Het was ook de tijd van de Contrareformatie, de tegenhanger van de protestantse Reformatie. Die Reformatie pleitte onder andere voor soberheid in religieuze gebouwen en in erediensten. Binnen de Katholieke Kerk ontwikkelde zich als reactie daarop de Contrareformatie. Eigenlijk was het een hervormingsbeweging binnen de katholieke kerk die al begon tijdens de 16e eeuw. Deels bestond die uit het bestrijden van allerlei misstanden, het herstructureren van de administratie en de verbetering van priesteropleidingen. Maar ook kregen de bisschoppen meer gezag. Dit leidde tot het Concilie van Trent, dat onder andere bekend is geworden door de vastlegging van de Tridentijnse ritus voor de mis.
Barok

Altaar in de chapelle de Sainte-Marie du Menez-Hom door Elke Wetzig
Op godsdienstig gebied was er in de tijd van de contrareformatie een opleving van de mystiek en van de volksdevotie. In de nieuwe mis, maar vooral de kunst en cultuur is het de rijke barok, waarin het hernieuwde religieuze enthousiasme van de contrareformatie vorm gegeven werd.
In de religieuze iconografie van de enclos paroissiaux komt dit tot uiting in de vele beelden en afbeeldingen van Maria, Josef en de Heilige Familie. De Contrareformatie sloot in Bretagne ook perfect aan bij de vroomheid die hier al leefde en tot uiting kwam in het grote scala aan lokale heiligen en de dodenverering. Beide hebben een Keltische oorsprong. Oude gebruiken en rituelen waren nog lang niet verdwenen en kregen ook een plaats in de iconografie.
Van de andere kant, de economische voorspoed bracht ook wedijver en jaloezie met zich mee. Elk dorp wilde de mooiste en rijkste enclos hebben. Dat resulteerde soms in een pronkerige monumentaliteit.
Eind 17e eeuw kwam een eind aan de voorspoed. In 1679 begint Colbert een handelsoorlog tegen Engeland, waarmee de Engelse markt niet meer beschikbaar is en de linnenproductie met 75% daalt. Bovendien werd in april 1695 een koninklijk besluit uitgevaardigd, dat zeven jaar later door het parlement van Bretagne wordt bekrachtigd. Hiermee werd elke nieuwbouw of verbouw van religieuze gebouwen zonder noodzaak verboden. Het geld moest waarschijnlijk meer richting schatkist gaan. Dit decreet, ook al werd het niet strikt toegepast, maakte wel een einde aan de bouw van de ommuurde kerken.
Kenmerken enclos paroissial
Een enclos paroissial is in de strikte zin een kerk omgeven door een stuk grond, al dan niet bestemd voor een begraafplaats, die begrensd wordt door een omringende muur. De definitie nu is dat er tenminste vier van de volgende zeven elementen aanwezig moeten zijn, naast de kerk natuurlijk:
- een ossuarium (knekelhuis)
- een reliekkapel
- een calvaire
- een omringende muur
- een triomfpoort (porte triomphale)
- een begraafplaats
- een bron (fontaine)
Omheiningsmuur en plein
Arc de triomphe Plounéour-Menez door Moreau.henri
Over het algemeen worden de verschillende ingangen van de omheining geblokkeerd door een verticale stenen plaat waar overheen gestapt moet worden. Deze plaat was bedoeld om te voorkomen dat huisdieren het terrein, met name de begraafplaats, zouden betreden. Daardoor heeft de ingang, die altijd open is, oorspronkelijk één of meerdere treden omhoog, een muurtje om overheen te klimmen en dan weer treden naar beneden. Dat is nog altijd zo in Sizun in twee van de drie doorgangen.

Porte triomphale (triomfpoort)
Een Porte triomphale of Triomf(boog)poort is een monumentale toegangspoort tot een enclos paroissial. Ze zijn geïnspireerd op de grote Romeinse triomfbogen. De triomfpoorten hebben soms zelfs drie doorgangen en zijn voorzien van bogen. Voorbeelden daarvan zijn die in Saint-Thégonnec, Sizun en La Martyre.
In het Bretons worden ze ‘Porz ar maro‘ genoemd, letterlijk ‘drager van de dood’. Overledenen werden door deze poort binnen de enclos gebracht. Hoe het begrafenisritueel verder vorm kreeg, kon per parochie anders zijn. De triomfpoort opent meestal wel naar het westen, daar waar de zon ondergaat, een symbool voor de dood.
Porche (portiek)
Een porche is een portiek of voorportaal. Bij kerken meestal op het zuiden. Soms is er een clocher-porche, een portiek in de klokkentoren. Deze portieken zijn vaak uitgebreid bewerkt en versierd met beelden of ornamenten. Van zijn er aan de zijkanten banken. Deze dienden als een ruimte waar het kerkbestuur bijeen kwam. Bovendien werd daar bij de doop de kleine duiveluitdrijving uitgevoerd. De mooiste voorportalen zijn te vinden in het stroomgebied van de rivier Elorn, zoals in Landerneau en Saint-Thégonnec.
Bijzonder aan te bevelen Enclos Paroissiaux, die wij bezocht hebben, zijn in alfabetische volgorde die van Guimiliau, Lampaul-Guimiliau, Pleyben, Ploudiry, Saint-Thégonnec en Sizun.